Arnhem gebruikt netwerkkaarten om te bepalen welke looproutes het belangrijkst zijn en waar de voetganger prioriteit moet krijgen. Zo kan de gemeente onderbouwen welke stoepen, oversteken en ontbrekende verbindingen als eerste worden aangepakt. ‘Hoe belangrijk die auto ergens ook is, het verschilt straks per gebied welke modaliteit het aflegt.’
Arnhem gebruikt netwerkkaarten om te bepalen welke looproutes het belangrijkst zijn en waar de voetganger prioriteit krijgt. Zo kan de gemeente onderbouwen welke stoepen, oversteken en ontbrekende verbindingen eerst worden aangepakt. ‘Hoe belangrijk die auto ergens ook is, het verschilt straks per gebied welke modaliteit het aflegt.’
‘Als je een superloopstad bent, dan krijgt de voetganger overal de eerste plek. Maar daar zijn de meeste steden nog niet’, zegt Annemieke Molster, bestuursadviseur bij de gemeente Arnhem. Het Arnhemse voetgangersbeleid moet helpen om die prioriteit concreet te maken.
Omdat niet alles tegelijk kan, kiest Arnhem ervoor om bepaalde routes en locaties voorrang te geven. ‘Onze netwerkkaarten helpen met keuzes maken waar eerst te beginnen voor grotere impact. Het geeft weer waar verschillende modaliteiten het meest afhankelijk zijn van infrastructuur.’
Het voetgangersnetwerk laat hoofdlooproutes en verbindingsroutes zien. Het groene, ontspannen netwerk toont routes voor ommetjes, lunchwandelingen, hardlopen en verbindingen met parken, bossen en het buitengebied. Daarnaast werkt Arnhem met een basisnetwerk voor de fijnmazige routes in buurten.
Routes bepalen prioriteit
Voor andere gemeenten zit daarin een belangrijke les. Teken niet alleen waar voetpaden liggen, maar bepaal welke routes stedelijk belangrijk zijn. Routes naar scholen, haltes, stations, zorgvoorzieningen, winkelgebieden en parken vragen om een andere afweging dan een willekeurige woonstraat.
Martine de Vaan, aanjager innovatie bij Platform Ruimte voor Lopen, ziet dat steeds meer gemeenten loopbeleid maken. Ook het niveau stijgt, zegt zij. Utrecht, Den Haag en Eindhoven zetten volgens haar afgelopen jaar grote stappen. Arnhem heeft volgens haar het nieuwste beleid.
Daarin valt vooral de uitwerking van de voetgangersnetwerken op. Arnhem maakt onderscheid tussen basisnetwerk, hoofdloopnetwerk en groen, ontspannen netwerk. Die netwerken zijn gemeentebreed op kaart gezet. Ook de verschillen tussen de netwerken zijn volgens De Vaan helder uitgelegd.
| Geïnteresseerd in gebiedsontwikkeling en leefbaarheid? Meld je aan voor de Vierdaagse fieldtrip Manchester & Liverpool: “Van industriële kracht naar leefbare stad” van 16 t/m 19 september. |
‘Het is grotendeels gebaseerd op de Ontwerpwijzer van CROW, die waarschijnlijk veel gemeenten de komende jaren zullen toepassen’, zegt De Vaan. ‘Maar het was nog niet eerder zo ver uitgewerkt. Dat geeft houvast voor andere gemeenten.’
Het plan sluit aan op het STO(M)P-principe uit het Duurzaam Mobiliteitsplan. Stappers komen daarin vóór fiets, ov, deelmobiliteit en auto. Toch betekent dat niet dat de voetganger overal automatisch wint. Per gebied blijft een bredere mobiliteitsafweging nodig.
Rond het centrum kan lopen zwaarder wegen dan een hoofdroute voor auto, bus of fiets. Buiten het centrum kan een doorfietsroute soms voorgaan. ‘Als we minder ruimte voor de auto maken, dan hebben we de fiets ook hard nodig als alternatief op grotere afstanden.’
Stoep vraagt bescherming
Cas van Hardeveld, public affairs-medewerker bij Wandelnet, herkent dat vraagstuk bij meer gemeenten. Een goede loopstad vraagt volgens hem om logische lijnen, directe routes en voorzieningen op beloopbare afstand. De route naar ov is belangrijk, omdat lopen veel voorkomt in voor- en natransport.
Een tweede les is dat de stoep niet vanzelf profiteert van ruimtelijke ingrepen voor leefbaarheid. Van Hardeveld ziet dat bij vergroeningsprojecten soms ook de loopruimte krimpt. Gemeenten moeten expliciet kiezen welke meters naar groen, verblijf, fiets en voetganger gaan.
Dat geldt ook voor normen. Stoepen zouden volgens Van Hardeveld op veel plekken breder kunnen, omdat oude maatvoering niet past bij drukker gebruik, toegankelijkheid en verblijf. Arnhem noemt 2,90 meter vrije ruimte voor hoofdlooproutes en 2 meter als minimum.
Die ruimte is nodig om naast elkaar te lopen, elkaar te passeren of even stil te staan. Een loopstad vraagt niet alleen verplaatsingsruimte, maar ook verblijfsruimte. Juist op drukke routes naar voorzieningen wordt het verschil tussen een stoep en loopinfrastructuur zichtbaar.
Voor gemeenten met weinig ruimte is vooral de maaswijdte van belang. Als routes te ver uit elkaar liggen, moeten voetgangers omlopen of tijdelijk op het fietspad lopen. ‘Met het aantal toegenomen fietsers in de stad is dat voor een voetganger steeds minder veilig’, zegt Molster.
Kinderen als maatstaf
Arnhem wijkt volgens Molster af door looproutes nadrukkelijk vanuit kinderen en verzorgers te bekijken. Veel steden richten toegankelijkheid vooral op mensen met een beperking. Arnhem kiest kinderen als extra toets, omdat zij vroeg moeten ervaren dat lopen en spelen normaal zijn.
Die keuze werkt breder door. Een kinderwagen, rollator en rolstoel vragen allemaal om goed onderhouden paden, duidelijke richting en overzichtelijke kruisingen. Toch blijven verschillen bestaan. Voor slechtzienden zijn geleidelijnen nodig, terwijl kinderen vooral baat hebben bij overzicht en speelaanleiding.
Het uitvoeringsplan noemt schoolzones, schoolstraten en mogelijk schoolerven. Ook wil Arnhem spelaanleidingen toevoegen aan routes die veel door kinderen worden gebruikt. Daarmee wordt lopen niet alleen een veilige verplaatsing, maar ook een aantrekkelijke ervaring in de dagelijkse leefomgeving.
Voor andere gemeenten is de tip om kindvriendelijkheid niet als apart project te behandelen. Het werkt alleen als schoolroutes, spelen, verkeersveiligheid, jeugdbeleid, sport en beheer elkaar raken. Molster wijst daarbij op de 2+1+2-aanpak voor bewegen voor, tijdens en na school.
Die aanpak geldt nu voor kinderen vanaf 4 jaar. Arnhem wil die doortrekken naar kinderen vanaf anderhalf jaar, de leeftijd waarop veel kinderen gaan lopen. Daarmee koppelt de gemeente loopbeleid aan gezondheid, zelfstandigheid en gewoontevorming op jonge leeftijd.
Organisatie telt mee
Het Arnhemse plan is niet alleen ruimtelijk. De maatregelen zijn verdeeld over inrichting, loopcultuur en organisatie. Volgens Molster is dat evenwicht belangrijk. Een gemeente moet bepalen wat zij buiten verandert, hoe bewoners worden gestimuleerd en hoe de organisatie meebeweegt.
Volgens De Vaan is ook de interne samenhang bruikbaar voor andere gemeenten. Arnhem brengt helder in beeld hoe loopbeleid raakt aan zes beleidsdomeinen. Lopen hangt samen met sociale veiligheid, mobiliteit, detailhandel, groen, gezondheid, recreatie en wonen.
‘Je zou zomaar kunnen verdrinken in de interne afstemming’, zegt De Vaan. ‘In de nota lijkt het heel eenvoudig, een logisch geheel, dat is knap gedaan.’ Ook in de uitvoeringsagenda ziet zij terug dat afdelingen en beleidsdomeinen samenwerken.
Juist dat blijft bij veel gemeenten lastig. Het STO(M)P-principe staat vaak wel in beleid, zegt Van Hardeveld, maar komt niet altijd voldoende terug in de praktijk. Als de hele organisatie niet meedoet, heeft zo’n principe minder waarde.
Arnhem wil daarom richtlijnen opnemen in ontwerpwijzers en toetsingskaders. Ook gaat de gemeente meer data verzamelen over voetgangers. Het gaat om tellingen, meldingen, valongevallen en ontbrekende routes. Volgens De Vaan zit ook die koppeling tussen data en loopstimulering goed in elkaar.