Ontwerpers zien dat het principe ‘water en bodem sturend’ niet alleen de wijk als geheel beïnvloedt, maar ook steeds vaker de vorm van een bouwblok. De plannen voor Strandeiland in Amsterdam en Almere Pampus laten dat zien. ‘We ontwerpen een systeem waarin blokken kunnen variëren.’
‘Het ideale bouwblok bestaat niet’, zegt stedenbouwkundige Marco Broekman (BURA) tijdens de kennisavond Het ideale bouwblok, georganiseerd door BNSP. Hij werkt als partner van BURA onder meer aan de nieuwe stadsdeel Almere Pampus. ‘Juist de afwijking van een standaard bouwblok maakt een blok interessant.’
Volgens Esther Reith (gemeente Amsterdam), betrokken bij Strandeiland, is een bouwblok geen los ontwerpelement. ‘De maat en vorm volgen uit het landschap, het stedelijk milieu en de openbare ruimte’, zegt zij. Daarmee hangt de vorm van het bouwblok direct samen met grotere keuzes in de wijk.
In beide plannen is dat goed te zien. Water en bodem bepalen niet alleen de hoofdstructuur van een wijk, maar ook de maat van bouwblokken, de randen van het blok en de relatie met de openbare ruimte.
Water en bodem werken door
Het idee dat water en bodem sturend zijn, is niet nieuw. In Strandeiland en Almere Pampus werken die principes nu ook door in het bouwblok zelf.
In Almere Pampus werkt BURA met bouwblokken van ongeveer 150 bij 150 meter als uitgangspunt. ‘Die maat is geen dogma’, zegt Broekman. ‘Blokken worden aangepast op basis van bodem, water en groenstructuren.’ Ter vergelijking: in veel naoorlogse uitbreidingen en VINEX-wijken liggen blokmaten vaak tussen 80 en 120 meter.
In de zoektocht naar de vorm en grootte van bouwblokken in Almere Pampus is ook gekeken naar voorbeelden uit het buitenland. Broekman verwijst onder meer naar de superblocks in Barcelona, als inspiratie voor de manier waarop nieuwe woonwijken omgaan met mobiliteit, dichtheid en collectieve ruimte.
Water en bodem hebben in Pampus direct gevolgen voor de vorm van het bouwblok. Ze bepalen waar gebouwd kan worden, waar ruimte open moet blijven en waar een blok juist wordt onderbroken. Zo past het bouwblok zich aan het landschap aan.
Voor ontwerpers betekent dit dat het ontwerpproces eerder begint bij de ondergrond dan bij de verkaveling. Niet eerst het blok tekenen en daarna inpassen, maar eerst kijken wat bodem, water en landschap toelaten.
Lessen uit Haveneiland
Op Strandeiland krijgt deze manier van ontwerpen een andere uitwerking. Hier ligt de nadruk op een fijnmaziger stedelijk weefsel, met kleinere blokken en een duidelijker uitgewerkte straatruimte. Waar eerdere delen van IJburg zijn ingericht met relatief diepe bouwblokken en bredere profielen, wordt hier gestuurd op compactere bouwdieptes en smallere straten.
Reith zegt dat Strandeiland een volgende stap is na Haveneiland, IJburg 1. Daaruit zijn volgens haar lessen getrokken over maat, straatprofiel en de inrichting van de openbare ruimte. Zo verschuift het straatprofiel van 22 naar 16 meter en worden bouwblokken minder diep: circa 60 meter in plaats van 70 tot 90 meter.
| Geïnteresseerd in groen en stedenbouw? Ga mee het dak op en meld je aan voor het Kennisevent De Hoogte In (Rotterdamse Dakendagen) op 4 juni in Rotterdam. |
Ook in de opzet van het eiland zelf speelt water een sturende rol. Tussen de verschillende eilanden is bewust water doorgelaten. Daardoor ontstaat een fijnmazig netwerk van oevers. Rondom het eiland is bovendien een groene rand ontworpen, zodat het mogelijk is om het gebied rond te lopen of te fietsen.
Door groen op strategische plekken te leggen, komen straten uit op een park of groenzone. Zo wordt de relatie tussen bouwblok, straat en landschap direct voelbaar in het dagelijks gebruik.
‘We werken daarnaast bewust met margezones om de straat meer verblijfskwaliteit te geven’, zegt Reith. Daarmee bedoelt zij de voortuinen en overgangszones tussen woning en straat. In plaats van een gevel direct aan de stoep ontstaat een extra strook met ruimte voor groen, ontmoeting en verblijf.
Die voortuinen zijn geen reststrook, maar onderdeel van het ontwerp. Ze bepalen hoe bewoners de straat gebruiken, hoe contact ontstaat en hoe de begane grond werkt.
Daarnaast zorgen collectieve binnenterreinen en buurthubs voor minder auto’s in het bouwblok. Daardoor ontstaat meer ruimte voor groen en ontmoeting. Dat is een andere keuze dan in eerdere uitbreidingen, waar parkeren vaak direct bij of onder het blok werd opgelost.
Volgens Reith zijn die collectieve binnentuinen niet alleen bedoeld als verblijfsruimte, maar ook als onderdeel van biodiversiteit, klimaatadaptatie en sociale cohesie. De voortuin, door stedenbouwkundigen ook wel margezone genoemd, is daarbij belangrijk voor het straatbeeld en de architectuur.
Ook de natuurlijke vormgeving van de openbare ruimte speelt daarin mee. Door collectieve binnentuinen, zachte randen en voortuinen met elkaar te verbinden, ontstaat een samenhang tussen bouwblok, straat en landschap.
Bouwblok als samenhangend geheel
Wat beide projecten verbindt, is dat het bouwblok niet meer alleen als een vast type wordt bekeken. Mobiliteit, klimaat, sociale interactie en de manier van bouwen komen samen in de vorm en indeling van het blok.
‘We ontwerpen niet één ideaal blok’, zegt Broekman. ‘We ontwerpen een systeem waarin blokken kunnen variëren en zich aanpassen.’ Daarmee verschuift de vraag van de juiste maat naar wat een bouwblok in de praktijk moet kunnen.
In de praktijk betekent dit dat ontwerpers sterker sturen op waterberging, hitte, mobiliteit en gebruikskwaliteit binnen het blok. Dat zie je terug in keuzes voor doorsteken, groen, levendige begane gronden en bouwdieptes.
Ook de manier van bouwen speelt mee. Industriële bouwsystemen en biobased materialen vragen om andere maten en meer flexibiliteit. Ook dat werkt door in de opzet van het bouwblok.
Deze aanpak maakt het mogelijk om beter in te spelen op klimaatverandering en veranderende mobiliteit. Tegelijk vraagt het om een andere manier van ontwerpen, waarin variatie en aanpassing bewust onderdeel zijn van het plan.