Het RIVM stelt dat gemeenten voldoende ruimte voor bewegen kunnen realiseren zonder ingrijpende aanpassingen. Op basis van onderzoek naar de toepasbaarheid van vuistregels concludeert het instituut dat deze ruimtelijk haalbaar zijn en beter in beleid kunnen worden verankerd. ‘Alleen financieel en beheer vormen nog een opgave.’
‘Als je de ruimte hebt, is de vraag wat je daar vervolgens mee doet’, aldus Marjanne Steenhuis van het Kenniscentrum Sport en Bewegen. Volgens haar is er al veel kennis beschikbaar om beweegruimte effectief in te richten, onder meer via een platform met ontwerpprincipes en praktijkvoorbeelden.
Het RIVM stelt daarnaast dat voldoende beweegruimte haalbaar is zonder extreme fysieke ingrepen. Het instituut onderzocht de toepassing van zijn vuistregels, die onder meer uitgaan van een substantieel aandeel beweegruimte in de openbare ruimte en voorzieningen op korte afstand.
‘Het laat zien dat het geen utopisch beeld is’, zei RIVM-onderzoeker Rik Prins tijdens een webinar. Hij verwees naar bestaande wijken, zoals Bornholm in Hoofddorp, waar ruimte voor spelen, lopen en fietsen al nadrukkelijk onderdeel is van de inrichting.
Inpasbaar in bestaande wijken
Ook uit stedenbouwkundige analyses blijkt volgens het instituut dat de ruimtelijke claim uitvoerbaar is. In veel situaties kunnen de vuistregels worden ingepast door andere keuzes in de verdeling van ruimte tussen auto’s, groen en verblijfsplekken.
Het RIVM benadrukt dat geen sprake is van een uniforme oplossing. De toepasbaarheid verschilt per gebied, afhankelijk van dichtheid, bestaande structuren en beschikbare ruimte. Daarmee fungeren de vuistregels als richtinggevend kader, geen harde norm.
De richtlijnen zijn vertaald naar concrete maatvoering, zoals percentages openbare ruimte en maximale afstanden tot voorzieningen. Daardoor zijn ze volgens het RIVM direct toepasbaar in ruimtelijke plannen en rekenmodellen.
Daarmee wordt het voor gemeenten lastiger om beweegruimte buiten beschouwing te laten. Wel blijft het financieel en in beheer een opgave, erkennen de onderzoekers.
Onderbouwd met data
De conclusie dat de vuistregels toepasbaar zijn, is gebaseerd op een uitgebreide data-analyse. Het RIVM koppelde ruimtelijke gegevens op buurtniveau aan gezondheidsdata.
Daaruit blijkt dat bewoners in buurten met voldoende beweegruimte tot 70 procent vaker voldoen aan de beweegrichtlijnen. Daarmee wordt de relatie tussen inrichting en gedrag volgens het instituut concreet aantoonbaar.
Minder dan de helft van de Nederlanders voldoet momenteel aan die richtlijnen, terwijl de ambitie op 75 procent ligt. Daarmee wordt de inrichting van de leefomgeving nadrukkelijk als beleidsinstrument gepositioneerd.
Volgens Prins was deze onderbouwing nodig omdat er tot voor kort geen wetenschappelijke basis was voor ruimtelijke normen voor bewegen. ‘We moesten echt wat nieuws doen’, zei hij.
Toetsing in de praktijk
De toepasbaarheid is onder meer getest in de gemeente Groningen. Adviesbureau PMC vergeleek bestaande gemeentelijke normen met de RIVM-vuistregels.
Volgens adviseur Zedgar Veldhuizen blijken veel huidige normen, zoals een aantal vierkante meter beweegruimte per woning, beperkt onderbouwd. ‘Daar zit eigenlijk helemaal geen theorie achter.’
De RIVM-aanpak biedt volgens hem meer houvast, doordat deze zowel ruimte als afstand meeneemt. Daarmee ontstaat een consistenter kader voor ruimtelijke afwegingen.
Uit de analyse blijkt dat vooral groen-stedelijke gebieden goed aansluiten bij de vuistregels. In sterk stedelijke gebieden is de opgave groter door de beperkte ruimte en hogere druk op de openbare ruimte.
Omgevingswet en integraliteit
De vuistregels sluiten aan bij de bredere beweging naar integraal beleid onder de Omgevingswet. Die verplicht gemeenten om ruimtelijke en sociale opgaven in samenhang te bekijken.
‘Dat betekent dat een gebiedsontwikkeling getoetst moet worden aan die omgevingsvisie’, zei Veldhuizen. ‘En het voordeel daarvan is dat collega’s uit het ruimtelijk domein en het sociaal domein eerder met elkaar in gesprek moeten.’
Volgens hem helpt een concreet en meetbaar kader om dat gesprek te voeren. Begrippen uit het sociale domein worden daarmee beter vertaalbaar naar ruimtelijke keuzes.
Kennis en ontwerp beschikbaar
Volgens Steenhuis is er naast de ruimtelijke kaders ook veel praktische kennis beschikbaar om beweegruimte in te richten. Via een online platform kunnen gemeenten bouwstenen en ontwerpprincipes raadplegen, gefilterd naar schaalniveau en type beweging.
Ook zijn praktijkvoorbeelden beschikbaar met informatie over kosten, proces, samenwerking en participatie, en kunnen gebruikers in contact komen met initiatiefnemers van projecten.