RIVM: maak gezondheidsvoordelen stedelijk groen meetbaar

Leestijd: 3 minuten

De directe relatie tussen gezondheidsvoordelen en stedelijk groen is volgens het RIVM lastig in cijfers te vangen. Alleen voor sterfte is een kwantitatieve relatie aantoonbaar, blijkt uit een nieuw rapport. Het instituut pleit voor standaardisatie van definities en meetmethoden, zodat gezondheidsbaten beter kunnen worden meegewogen in ruimtelijke keuzes. 

‘Groen in de leefomgeving is belangrijk voor de menselijke gezondheid’, maar ‘het is nog onvoldoende duidelijk wat het kwantitatieve effect op de gezondheid is’, schrijft het RIVM.  
Het instituut onderzocht in hoeverre gezondheidseffecten van groen in cijfers zijn uit te drukken. 

Een belangrijk knelpunt is dat studies sterk verschillen in definities en meetmethoden. Het RIVM pleit daarom voor meer standaardisatie, zodat onderzoeksresultaten beter vergelijkbaar worden en bruikbaar zijn voor beleid. 

Het rapport stelt dat ‘verschillende definities worden gehanteerd over wat groen in de leefomgeving is’, van straatbomen tot stadsparken en natuurgebieden. Dit maakt het moeilijk maakt om resultaten te vergelijken.  

Ook de manier van meten verschilt, bijvoorbeeld via afstand tot groen of het aandeel groen in een gebied. Daardoor ontbreekt een consistente basis om gezondheidseffecten eenduidig te kwantificeren. 

Satellietdata 

De enige indicator waarvoor een robuuste kwantitatieve relatie bestaat, is sterfte. Die is gebaseerd op studies waarin groen op een uniforme manier wordt gemeten. 

Volgens het RIVM neemt de kans op overlijden met circa 4 procent af naarmate de omgeving groener wordt, gemeten met de NDVI (Normalized Difference Vegetation Index), een satellietmaat die de hoeveelheid en dichtheid van groen weergeeft op een schaal van 0 tot 1, waarbij een hogere waarde staat voor een groenere omgeving. 

Omdat deze methode internationaal vergelijkbaar is, kunnen studies worden gebundeld in meta-analyses. Daaruit volgt dat de kans op overlijden met circa 4 procent afneemt bij meer groen in de directe leefomgeving. 

Tegelijk kent deze maat duidelijke beperkingen. De NDVI zegt niets over toegankelijkheid, kwaliteit of gebruik van groen, terwijl juist die factoren bepalend kunnen zijn voor gezondheidseffecten. 

Ingewikkelde correlaties 

Voor andere gezondheidseffecten ontbreekt een vergelijkbare onderbouwing. Dat komt doordat groen op verschillende mechanismen invloed heeft, zoals het stimuleren van beweging, het verminderen van stress en het verbeteren van leefomgevingskwaliteit. 

Het rapport stelt dat ‘het zeer lastig is om vast te stellen dat een bepaalde groenmaat een bepaald gezondheidseffect heeft.’  

Omdat deze effecten samen optreden met andere factoren, zoals leefstijl en sociaaleconomische omstandigheden, zijn ze moeilijk afzonderlijk te meten. 

Gebruik en aanwezigheid 

Daarnaast maakt de NVDI-meetmethode onderscheid tussen de aanwezigheid van groen en het gebruik ervan. Veel studies kijken alleen naar de hoeveelheid groen, terwijl actief gebruik zoals wandelen of tuinieren een belangrijke rol speelt. 

Het RIVM benadrukt dat het ‘niet mogelijk is om een onderscheid te maken tussen het type groen’ of de geschiktheid voor gebruik. Daardoor blijven belangrijke verschillen in effectiviteit buiten beeld. 

Voor mentale gezondheid is er wel bewijs dat groen positieve effecten heeft, bijvoorbeeld op cognitieve functies en het verminderen van stress, depressie . Maar een kwantitatieve relatie ontbreekt. 

Het rapport concludeert dat er ‘nog geen sterke en breed onderbouwde kwantitatieve relatie beschikbaar’ is voor mentale gezondheid. Dit onderstreept de bredere conclusie dat de huidige kennis vooral kwalitatief van aard is. 

Behoefte aan betere onderbouwing 

De vraag naar kwantitatieve inzichten groeit, omdat overheden gezondheidsbaten willen meewegen in ruimtelijke keuzes. Denk aan de aanleg van parken of vergroening van wijken. 

Het RIVM stelt dat meer kennis nodig is om ‘de gezondheidsbaten van groen mee te wegen bij beslissingen over ruimtelijke planning.’  

Zolang definities en meetmethoden niet worden gestandaardiseerd, blijft die onderbouwing beperkt en blijven ruimtelijke afwegingen grotendeels gebaseerd op algemene inzichten.