Steden als Utrecht en Den Haag verankeren collectieve ruimte steeds nadrukkelijker in hun hoogbouwbeleid. Met normen, tenders en gebiedsorganisatie proberen zij ‘verticale buurten’ te stimuleren. Tegelijk plaatst de voorzitter van de BNSP vraagtekens bij de maakbaarheid ervan. ‘Ontwerpen van gemeenschappelijke ruimte maakt nog geen buurt.’
‘We willen voorkomen dat hoogbouw anonieme stapelingen worden’, zegt stedenbouwkundige Richard Koek van de gemeente Den Haag. Nu steden verdichten en torens hoger worden, groeit de druk op de openbare ruimte op straatniveau.
Gemeenten zoeken daarom naar instrumenten om ontmoeting structureel te organiseren. Stedenbouwkundigen van de gemeente Den Haag en Utrecht geloven er sterk in dat openbare ruimte steeds meer geïntegreerd gaat worden ín hoogbouwprojecten. Beide steden werden op het congres Festival Stad aangehaald als voorbeelden waar dit al gebeurd.
Ook in Utrecht is dat uitgangspunt leidend. ‘Als je extreem dicht bouwt, moet je ruimte toevoegen op daken en in gebouwen’, zegt stedenbouwkundige René Bouman. Volgens hem vraagt de groei van het aantal eenpersoonshuishoudens om nieuwe vormen van collectiviteit in woongebouwen.
Den Haag kiest norm
Den Haag heeft in de nieuwe hoogbouwnota vastgelegd dat minimaal drie procent van het bruto vloeroppervlak van een toren moet bestaan uit publieke of collectieve ruimte. Daarmee wordt sociale kwaliteit onderdeel van het formele beoordelingskader bij nieuwe projecten.
Volgens Koek is het percentage gebaseerd op uitgevoerd onderzoek naar woontevredenheid in bestaande hoogbouw. ‘In projecten waar mensen met plezier wonen, kom je ongeveer op dat aandeel uit.’ De gemeente schrijft niet voor hoe die ruimte exact wordt ingevuld, zegt Koek.
Een ruimere entree, gedeelde wasruimte, hobbyruimte, buurtkamer of daktuin telt mee bij die drie procent. Het doel is om een overgangszone tussen woning en stad te creëren. ‘Als je die ruimte niet organiseert, sta je direct in de anonieme stad’, waarschuwt Koek.
De norm dient als startpunt in gesprekken met ontwikkelaars en beleggers. Via beeldkwaliteitsplannen wordt per gebied verdere invulling gegeven aan de openbare ruimte.
Daarbij noemt de gemeente het beheer cruciaal, vooral in de eerste jaren na oplevering, wanneer gebruik en programmering op gang moeten komen. Zonder duidelijke afspraken en een door bewoners gedragen plan ontstaat het risico dat gedeelde ruimte niet of verkeerd gebruikt wordt.
Utrecht stuurt integraal
Utrecht hanteert geen vast percentage per gebouw, maar stuurt via dichtheid, programma en grondpositie. In verdichtingsgebieden als Merwede en het Beurskwartier worden functies op blokniveau vastgelegd, inclusief collectieve ruimtes en voorzieningen.
In het Beurskwartier, waar de gemeente grondeigenaar is, wordt bijna vier vierkante meter vloeroppervlak per vierkante meter grond gerealiseerd. Binnen elk bouwblok zijn verplicht mobiliteitshubs, gedeelde voorzieningen en collectieve verblijfsruimtes opgenomen.
Ontwikkelaars ontvangen bij tenders in het Beurskwartier een vaste lijst met functies. Afwijken betekent geen gunning. Daarnaast werkt Utrecht aan een gebiedsorganisatie met community builders. ‘Zulke ruimtes werken alleen als ze worden geprogrammeerd’, zegt Bouman.
Ook op straatniveau wordt gestuurd. Op belangrijke stedelijke assen zijn woningen in de plint niet toegestaan. Publieke en commerciële functies moeten daar de levendigheid borgen. Zo blijft de relatie tussen toren en stad behouden.
Als de gemeente geen grondeigenaar is, worden dat soort gesprekken ingewikkelder. Maar ook dan kan met ontwikkelaars en grondeigenaren worden geïnvesteerd in sociale kwaliteit. Volgens Bouman zijn ontwikkelaars zich er steeds meer van bewust van de noodzaak om verticale buurtcohesie goed te organiseren.
Kritiek op maakbaarheid
Eric van der Kooij, voorzitter van de Beroepsvereniging van Nederlandse Stedebouwkundigen en Planologen (BNSP), plaatst kanttekeningen bij het begrip verticale buurt. Volgens hem ontstaat sociale samenhang niet vanzelf door een andere bouwtypologie.
Hij waarschuwt voor overspannen verwachtingen rond gemeenschappelijke ruimtes. ‘Je ziet in meerdere torens dat zulke ruimtes nauwelijks worden gebruikt.’ Investeringen in daktuinen of gedeelde kamers mogen volgens hem niet ten koste gaan van de openbare ruimte op straatniveau.
Van der Kooij pleit voor een gelaagde aanpak waarin straat, gebouw en gebied elkaar versterken. Gemeenten moeten volgens hem beter kijken naar het feitelijke gebruik van gebouwen. Pas als duidelijk is waar bewoners elkaar daadwerkelijk ontmoeten, krijgt volgens hem collectieve ruimte betekenis.