Groen op de Balans: verschil tussen baten en inkomsten

Leestijd: 5 minuten

Rapport na rapport insinueert dat investeren in fysieke ingrepen als vergroening zich landelijk uitbetalen in miljarden aan gezondheidswist en vermeden kosten. Toch worstelen gemeenten met de financiering van stedelijk groen en haar beheer en onderhoud. Volgens onderzoeker Tom Bade komt dat door verwarring over wat die baten werkelijk voorstellen. ‘We doen vaak alsof al die miljarden ook echt geld zijn.’ 

‘We doen vaak alsof al die miljarden ook echt geld zijn’, zegt Bade, directeur en eigenaar van Triple E, een kenniscentrum op het gebied van natuur en economie. ‘Maar dat zijn ze niet. Het zijn maatschappelijke baten. Die zijn bedoeld om overheden aan te sporen tot investeren en om goed beleid te maken. Niet om bij private partijen of zorgverzekeraars aan te kloppen met een concrete rekening.’  

Die verwarring zorgt er volgens de onderzoeker al jaren voor dat verwachtingen niet uitkomen en beleid blijft steken in goede bedoelingen. 

Bade spreekt uit ervaring. Al in 2010 werkte hij mee aan Groen loont. Vijftien jaar later is de discussie nauwelijks veranderd, ondanks betere data, nieuwe technologie en een groeiend aantal onderzoeken, stelt hij. ‘Het schiet niet op omdat we verschillende soorten argumenten door elkaar blijven gebruiken.’ 

Op 22 januari komt Bade’s nieuwste boek ‘Groen op de balans’ uit, geschreven in opdracht van Koninklijke VHG. Die titel wijst volgens de onderzoeker op een nieuwe, nog onbekende manier van denken: door stadsgroen duidelijker in een financiële balans mee te nemen, komt de financiering ervan makkelijker op gang. 

Twee typen baten 

De kern van het misverstand over hoe investeringen in fysieke ingrepen zich uitbetalen in ‘écht geld’ zit volgens hem in het onderscheid tussen twee typen baten die in vrijwel elk onderzoek over groen terugkomen.  

Aan de ene kant zijn er de maatschappelijke, macro-economische baten: effecten op gezondheid, welzijn, klimaatadaptatie en biodiversiteit die de samenleving als geheel raken. Aan de andere kant zijn er micro-economische baten: opbrengsten die daadwerkelijk ergens landen, bijvoorbeeld bij een gemeente, een vastgoedeigenaar of een ontwikkelaar. 

Dat onderscheid is cruciaal, benadrukt Bade. ‘Macro-baten zijn geen geld dat iemand op zijn bankrekening ziet verschijnen. Ze zijn bedoeld om beleid te legitimeren, vooral op rijksniveau. Micro-economische baten daarentegen zijn wél echt geld. Daar kun je afspraken over maken.’ 

Vergroening en zorgkosten 

In Groen op de Balans worden beide typen baten uitgebreid in beeld gebracht. Het boek laat onder meer zien dat vergroening samenhangt met lagere zorgkosten, minder wateroverlast, betere luchtkwaliteit en hogere arbeidsproductiviteit.  

Opgeteld lopen die maatschappelijke baten in de miljarden euro’s per jaar. Maar volgens Bade gaat het mis zodra die bedragen worden ingezet alsof ze één-op-één te verzilveren zijn. 

‘Mensen met een maatschappelijke kosten-batenanalyse in de hand stappen naar zorgverzekeraars of projectontwikkelaars en zeggen: we besparen met groen tientallen miljarden, dus doe je mee? Dat werkt niet. Die partijen vragen terecht: waar komt dat bedrag bij ons terecht?’ 

Dat betekent niet dat de relatie tussen groen en gezondheid ter discussie staat. Integendeel. Bade is daar duidelijk over: er is inmiddels een veel onderzoek die laat zien dat vergroening bijdraagt aan betere gezondheid en lagere zorgkosten.  

Beleidsmakers hoeven dus niet te wachten op dat ene perfecte rapport waarin staat dat een specifieke boom of ingreep exact een vast bedrag aan zorgkosten bespaart. Volgens Bade laten al die studies samen vooral zien dát vergroenen werkt en dat dit voldoende basis biedt om beleid op te maken. 

Aansporing

‘Die rapporten zijn geen rekensom op detailniveau, maar een duidelijke aansporing om aan de slag te gaan’, zegt hij. Ze helpen om normen en vuistregels te formuleren voor een gezonde inrichting van de openbare ruimte, niet om elke investering individueel te rechtvaardigen. 

Dat beleid hoort volgens Bade primair bij de overheid. Net zoals bij de Deltawerken of grote infrastructuurprojecten gaat het om investeringen waarvan de baten breed neerslaan in de samenleving. ‘Die baten vallen overal en nergens. Precies daarom zijn ze bedoeld om overheden te verleiden om te investeren.’ 

‘Die baten vallen overal en nergens. Precies daarom zijn ze bedoeld om vooralsnog overheden te verleiden om te investeren.’  

Tegelijkertijd waarschuwt hij ervoor om diezelfde argumenten te gebruiken in gesprekken met private partijen. ‘Als je met ontwikkelaars, beleggers of gebouweigenaren praat, moet je het hebben over micro-economische baten. Over OZB-opbrengsten, vastgoedwaarde en lagere exploitatiekosten. Dat is het geld waar zij iets mee kunnen.’ 

Hogere OZB-inkomsten 

In het boek worden daar ook voorbeelden van genoemd. Zo laat Bade zien dat groenere nieuwbouw kan leiden tot hogere OZB-inkomsten voor gemeenten en dat groen aantoonbaar bijdraagt aan de waarde van vastgoed.  

Projecten als Wonderwoods in Utrecht illustreren dat dit geen theoretische exercitie is. ‘Daar betaalt het groen zich direct terug, en wordt het beheer geregeld via de vereniging van eigenaren.’ 

Waar het volgens Bade vervolgens om gaat, is op welk schaalniveau je die financiering en organisatie van beheer regelt. Volgens hem bestaat er niet één ideale schaalgrootte. Financiering van groenbeheer en onderhoud kan plaatsvinden op straatniveau, buurtniveau én wijkniveau, afhankelijk van de plek en de betrokken partijen.  

Juist die flexibiliteit is volgens hem belangrijk. ‘Soms kun je met bewoners of ondernemers op straatniveau afspraken maken, soms werkt een wijkgerichte aanpak beter. Je moet dat niet dichttimmeren.’ 

Dat sluit aan bij een tweede punt dat Bade belangrijk vindt en dat ook terugkomt in de titel van het boek. Groen moet in het hoofd van beleidsmakers, ontwikkelaars en samenwerkingsverbanden standaard op de balans worden meegenomen. Niet als restpost, maar als volwaardig onderdeel van de inrichting van de stad.  

‘Net zoals je een stadsbankje of een lantaarnpaal meeneemt in je investerings- en afschrijvingssystematiek, zou je dat ook met groen moeten doen.’ 

Door groen te behandelen als een reguliere stedelijke voorziening die wordt afgeschreven, wordt het vanzelf eenvoudiger om financiering voor beheer en onderhoud structureel te organiseren. Het haalt groen uit de sfeer van incidentele projecten en maakt het onderdeel van normaal stedelijk beheer. 

Volgens Bade helpt dat om het gesprek realistischer en effectiever te maken. ‘Dan stoppen we met doen alsof alle groene baten inwisselbaar zijn. Ze zijn dat niet. Maar als je ze goed gebruikt, zijn ze juist krachtig.’ Groen op de balans zetten betekent volgens hem niet één rekensom maken, maar begrijpen welke balans je voor je hebt – en wie er uiteindelijk betaalt.