‘Sportief ontwerp openbare ruimte alleen is geen garantie voor beweging’

Leestijd: 3 minuten

De openbare ruimte als grootste sport- en beweegaccommodatie van Nederland. Dat is de ambitie van Noud van Herpen, programmamanager bij Sportservice Noord-Brabant. Gemeenten die hun inwoners gezonder willen maken, moeten creatiever omgaan met wat bewegingsvriendelijke openbare ruimte inhoudt. ‘We moeten af van het idee dat je alleen beweegt op een sportveld.’

Wie Noud van Herpen hoort praten over bewegen in de openbare ruimte, merkt snel: dit gaat niet alleen over stoeptegels of toestellen. ‘We denken vaak veel te groot. Natuurlijk, beweegpleinen en sportparken zijn mooi. Maar een paar gekleurde tegels waar kinderen van A naar B kunnen springen, of het woord “start” op de stoep, kan al een wereld van verschil maken.’

Van Herpen is betrokken bij Sportkracht12, het landelijke samenwerkingsverband van twaalf provinciale sportorganisaties. Samen bereiken zij 324 gemeenten en werken zij met zo’n 6000 buurtsportcoaches. Zijn missie: bewegen vanzelfsprekend maken, voor iedereen. ‘In de openbare ruimte ligt de kans om juist de niet-sporters te bereiken.’

Dat is ook een doelstelling van het huidige demissionaire kabinet. Dat kondigde begin november een plan voor een toekomstbestendige sportinfrastructuur aan. Gemeenten worden onder andere gestimuleerd om integrale huisvestingsplannen (IHP’s) op te stellen, specifiek gericht op sport en bewegen. Het RIVM ontwikkelt gelijktijdig een richtlijn, met als doel om gemeenten een handvat te bieden voor ruimtelijke planning, vergelijkbaar met hoe er nu al richtlijnen bestaan voor bijvoorbeeld groen, speelruimte en gezondheid. 

Bij het zoeken en vinden van voldoende sport- en beweegruimte in Nederland draait het volgens Van Herpen om veel meer dan de fysieke inrichting. ‘Je redt het niet met alleen hardware, de fysieke inrichting van de openbare ruimte. Je moet beweging organiseren. Dat begint bij het combineren van functies. Een bankje is niet alleen om te zitten, maar kan ook onderdeel zijn van een beweegroute. En een wadi hoeft niet alleen water op te vangen – met een paar stapstenen maak je er ook een uitdagend speelparcours van.’

Tussen stoeptegel en sportplein

Om grip te krijgen op al die schakels ontwikkelde het Kenniscentrum Sport & Bewegen het model van de Beweegvriendelijke Omgeving (BVO), met drie elementen: hardware, software en orgware. ‘De hardware kennen we allemaal: sportaccommodaties, speelplekken, routes, paden en recreatiegebieden. Maar dat is maar één kant van het verhaal.’

De software omvat juist de activiteiten, begeleiding, communicatie en interventies die op die plekken plaatsvinden. ‘Een veelgemaakte fout is dat je wel eindgebruikers betrekt bij het ontwerp, maar niet de partijen die hen daadwerkelijk kunnen activeren, zoals sportverenigingen of welzijnsorganisaties. Terwijl die cruciaal zijn.’

De orgware tenslotte betreft alles rondom beleid, beheer, samenwerking en eigenaarschap. ‘Hoe minder goed de fysieke ruimte is ingericht op bewegen, hoe harder je moet leunen op de software en orgware.’

Lokale voorbeelden als leerbron

Het theoretische model krijgt handen en voeten in uiteenlopende praktijkvoorbeelden. In Maashorst ontwikkelden SSNB en partners een beweegroute met plekken waar mensen eenvoudige oefeningen kunnen doen. ‘We blijven daar ook terugkomen. Alleen dan herinneren mensen zich wat de route biedt.’ In Vught hangen bij speelplekken borden waarop te zien is hoe je er kan bewegen. In de ontwerpfase wordt in deze gemeente de Schijf van 10 gebruikt om te checken of voldoende grondvormen van bewegen aanwezig zijn. En in Landerd worden senioren gestimuleerd tot laagdrempelige beweging met sport en spel in de openbare ruimte.

Een belangrijk uitgangspunt is dat een plek pas écht uitnodigt tot bewegen als die aansluit op de gebruikers. ‘Begin in de wijk. Wie woont er? Welke verenigingen zijn actief? Pas daarna bepaal je het sportaanbod en bouw je een community. Dat maakt het duurzaam.’