Wethouder Wageningen: ‘Gezonde voedselomgeving in omgevingsvisie helpt’

Leestijd: 5 minuten

Wageningen werkt als deelnemer van de City Deal Gezonde en duurzame voedselomgeving aan het integreren van natuurlijk voedsel in de leefomgeving, zowel via het sociale als fysieke domein. Dat vraagt om meer dan een moestuin of een marktplein. Wethouder Maud Hulshof legt uit hoe haar gemeente voedselbeleid verankert in de fysieke leefomgeving, waarom samenwerking met andere steden cruciaal is en hoe het sociale domein minstens zo belangrijk is als ruimtelijke ingrepen.

Maud Hulshof is wethouder in Wageningen namens D66. In haar portefeuille komen gezondheid, voedsel, openbare ruimte en sociaal beleid samen. Die samenhang ziet ze niet als last, maar als kans: ‘Juist doordat alles met elkaar verbonden is, kunnen we integraal werken. Gedrag verander je niet met beleid alleen, daar is ook de juiste inrichting van de openbare ruimte, educatie en samenwerking voor nodig.’

Wageningen wil de gezondste keuze de makkelijkste maken. Dit lukt mede door kennisuitwisseling binnen de City Deal Gezonde en Duurzame Voedselomgeving, waar Wageningen zich als een van de eerste gemeenten bij aansloot.

Hoe vertaalt Wageningen haar voedselbeleid naar de fysieke leefomgeving en welke strategie ligt daaraan ten grondslag?

‘We hebben als stad al jaren een voedselagenda, waarin we sturen op gezond, lokaal en duurzaam voedsel. Die agenda proberen we ook ruimtelijk te verankeren, bijvoorbeeld in de omgevingsvisie. Daarin staat expliciet dat voedsel een plek moet krijgen in de openbare ruimte. Denk aan eetbaar groen, het stimuleren van lopen en fietsen, of het weren van ongezond voedselaanbod bij scholen. Maar ook aan kleine ingrepen, zoals het plaatsen van watertappunten op ontmoetingsplekken.

We zijn een kleine gemeente, met weinig ambtelijke capaciteit. Daardoor moeten we creatief zijn. Tegelijk kunnen we daardoor wel snel schakelen en dingen uitproberen. Begin klein, leer onderweg: dat is echt onze aanpak. We verbinden beleidsdomeinen zoals ruimtelijke ordening, duurzaamheid, onderwijs en sociaal beleid. Omdat veel van die thema’s in mijn portefeuille samenkomen, kunnen we integraal denken. Dat helpt enorm.’

Wat levert de City Deal Gezonde en Duurzame Voedselomgeving Wageningen op?

‘Heel veel. We kunnen meeliften op de kennis en juridische instrumenten van grote steden, bijvoorbeeld over het weren van fastfood in kwetsbare wijken. Wij zijn te klein om zulke juridische trajecten zelf uit te zoeken, maar dankzij de City Deal kunnen we profiteren van de kennis die steden als Rotterdam en Amsterdam al hebben opgedaan. 

Op onze beurt delen wij onze praktijkervaringen met andere gemeenten. Omdat we klein zijn, kunnen we laagdrempelig experimenteren. Dat helpt ook anderen weer verder.

 De samenwerking met kennisinstellingen is daarbij essentieel. We hebben een korte lijn met de Wageningen Universiteit, die veel onderzoeken  doet naar de voedselomgeving, maar de City Deal helpt ons ook aan de tafels van ministeries. Daardoor kunnen we praktijkervaring koppelen aan beleid en wetenschap. Die wederkerigheid maakt het waardevol. Je leert niet alleen van elkaar, je versterkt ook elkaars impact.’

Welke concrete maatregelen hebben al impact gehad?

‘De reclamevrije bushokjes springen eruit. Dat is niet alleen rustiger in het straatbeeld, het voorkomt ook onbewuste consumptieprikkels. We willen die lijn doortrekken naar sportvelden en winkelgebieden. Maar dat is lastig, onder meer door inkomstenverlies en afhankelijkheid van sponsors. Voor ons kosten de reclamevrije bushokjes nu zo’n 15.000  euro; voor een stad als Amsterdam gaat dat over miljoenen. Toch merken we nu al een verschil: mensen ervaren de openbare ruimte als prettiger, en we hopen met onderzoek dat we dat effect straks ook kunnen onderbouwen.

Ik hoop dat we plekken zoals de bushokjes straks structureel anders kunnen invullen en inrichten. Misschien met andere inkomsten en  maatschappelijke functies. Daarnaast hebben we de streekmarkt, met plekken voor lokale producenten tegen gereduceerd tarief. We willen dat inwoners makkelijker toegang hebben tot lokaal en gezond voedsel. En we maken het producenten makkelijker om dat aan te bieden. 

Ook de schoolmoestuinen zijn belangrijk. We hebben geleerd dat je niet alleen een moestuin moet aanleggen, maar ook moet zorgen voor educatie, coaching en continuïteit. Daarom werken we met moestuincoaches die structureel lessen geven en het verbinden aan andere vakken, zoals rekenen, biologie of koken. Zonder begeleiding verwatert het vaak zodra de bevlogen leerkracht vertrekt. Gemeenten moeten dus ook investeren in mensen, niet alleen in fysieke projecten.’

Hoe krijgt de sociale kant van voedselbeleid vorm in Wageningen?

‘Heel zichtbaar in het warme schoollunchproject. Op scholen in kwetsbare wijken serveren we plantaardige maaltijden, bereid door mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Dat is goed voor de gezondheid, duurzaam en sociaal inclusief. Bovendien zorgt samen eten voor betere verhoudingen in de klas. Leraren merken dat kinderen zich beter kunnen concentreren. En uit onderzoek blijkt dat ze daadwerkelijk meer groente en fruit eten, ook thuis.

Ook buurtgroenprojecten spelen een rol. Daarin combineren we vergroening met gemeenschapsvorming. Het kost meer dan klassiek openbaar groen, maar het levert veel op in sociale cohesie. Mensen ontmoeten elkaar, leren samenwerken, en voelen zich verantwoordelijk voor hun omgeving. We begeleiden deze initiatieven goed, zodat het niet van één enthousiasteling afhangt. En we zorgen dat de gemeente kan bijspringen als het mis dreigt te gaan. Daarbij letten we ook op de balans: het reguliere groenbeheer biedt werkplekken aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, en die waarde willen we behouden.’

Waar liggen nog knelpunten en kansen?

‘Er is veel vraag naar moestuinen, maar wij hebben als gemeente weinig eigen grond. Dat beperkt de mogelijkheden. En de uitvoering van beleid vraagt veel menskracht. We willen veel, maar moeten keuzes maken. Gedragsverandering blijkt ook complex. Sommige kinderen herkennen groente en fruit nauwelijks. Dat bleek toen we in buurthuizen gezonde snacks aanboden. We zagen kinderen die geen idee hadden wat bleekselderij of een passievrucht was. Maar met wat uitleg en een lekkere dip zie je ze het proberen – en waarderen.’

Mensen kiezen niet altijd bewust ongezond. Daarom moet je ze laten zien, proeven en begrijpen wat gezond is. Dat vraagt om tijd en herhaling. Als je de openbare ruimte zo inricht dat lopen of fietsen sneller is dan de auto, stimuleer je gezond gedrag zonder dat je iets verbiedt. Dat is onze lijn: we willen gezond gedrag de makkelijke optie maken. Veranker voedselbeleid dus ook in ruimtelijk beleid. En gebruik landelijke netwerken zoals de City Deal. Je hoeft het niet allemaal zelf te doen. Als we die lessen blijven toepassen, bouwen we stap voor stap aan een gezondere en duurzamere stad.’