Vrouwvriendelijke openbare ruimte vraagt om ‘uit balans ontwerpen’

Leestijd: 5 minuten

‘Ontwerpen voor vrouwen betekent ontwerpen voor bijna iedereen’, is in de kern de boodschap van professor Nourhan Bassam, uitgenodigd door stadslab RAUM in Utrecht voor een wandeling waarbij de openbare ruimte vanuit de vrouwvriendelijke bril werd bekeken. ‘We weten hoe, nu de ontwerpers nog.’ 

Wie zich veiliger wil voelen op straat, moet zich vertegenwoordigd voelen in de openbare ruimte. Die boodschap stond centraal tijdens de wandeling met Bassam, CEO van het platform The Gendered City en voorvechter van feministische stadsontwikkeling. Ze schreef in 2023 het gelijknamige boek The Gendered City: How Cities Keep Failing Women. 

‘Je moet door de stad lopen om te begrijpen hoe je ruimte kunt terugpakken’, zei ze tegen het publiek van ontwerpers, beleidsmakers en stadsdenkers, dat zich verzamelde op uitnodiging van RAUM in Leidsche Rijn. 

Dit stadslab gaat sinds 2016 door middel van installaties en evenementen het gesprek aan met bewoners en organisaties over de openbare ruimte. 

Veel publieke ruimte is nog steeds ingericht vanuit een mannelijk perspectief, stelde Bassam. Daardoor ontstaan onbedoelde uitsluitingsmechanismen die zorgen voor ‘spatial restrictions’. Vrouwen vermijden plekken waar ze veel mannen zien sporten, kiezen routes op basis van eerdere ervaringen, of voelen zich onveilig bij slechte verlichting en ontoegankelijke plekken. 

‘Vrouwen hebben een soort alternatieve Google Maps in hun hoofd’, merkte een vrouwelijke deelnemer op. ‘We worden beperkt in onze bewegingsvrijheid. Een Uber kost ons extra geld en omfietsen extra tijd.’ 

Het herkennen van die ruimtelijke beperkingen is essentieel voor inclusief ontwerp. Het vraagt om anders kijken én anders ontwerpen. Vooral mannelijke ontwerpers en ambtenaren die gaan over participatieprocessen spelen daarin een koersbepalende rol.  

‘Soms moet je uit balans ontwerpen om balans te bereiken’, aldus Donica Buisman, oprichter en co-directeur van RAUM. Dat betekent in participatieprocessen bijvoorbeeld nadrukkelijker luisteren naar vrouwen, juist omdat hun perspectief historisch ondervertegenwoordigd is. 

‘Het is voor ontwerpers heel logisch om juist naar de vrouw te kijken als gebruiker van de openbare ruimte.’  

Daarbij speelt ook – zo herhaalt Bassam – dat een voor vrouwen en kinderen ontworpen openbare ruimte vaak ook voorziet in de behoeften en wensen van veel andere doelgroepen, waaronder die van veel mannen. 

‘Ook mannen moeten zich veiliger willen voelen en ook zij willen meer zitplekken en openbare toiletten. Het is voor ontwerpers heel logisch om juist naar de vrouw te kijken als gebruiker van de openbare ruimte.’ 

Van inzicht naar ingreep  

Wat kan er nu concreet anders? In tal van artikelen rouleren al jaren veel simpele fysieke ingrepen. Denk aan meer verlichting, bankjes, actieve plinten en transparante afscheidingen bij horeca die ervoor kunnen zorgen dat vrouwen meer openbare ruimte als veilig beschouwen. 

Ook technische innovaties zoals paniekknoppen of verlichte handrelingen dragen bij aan het gevoel van veiligheid. Deze kunnen worden geplaatst in ’tussenruimtes’ zonder actieve programmering, zoals spoorondergangen waar een noodkreet door lawaai niet gehoord kan worden of waar passanten tijdelijk uit het zicht verdwijnen.

In Toronto bestaat al een soortgelijk netwerk van paniekknoppen, verbonden met hulpdiensten. Vooral in het openbaar vervoer bestaan noodvoorzieningen, zoals een gele alarmstrip in metrostellen en intercoms op aangewezen wachtplekken. 

Toronto, maar naar Bassam’s weten geen enkele stad, heeft op straat of in parken geen wijdverspreid netwerk van paniekknoppen specifiek voor vrouwen die zich onveilig voelen. Dit kan de bewegingsvrijheid van vrouwen wel degelijk vooruithelpen, vertelt zij. 

Tijdens – maar ook na de wandeling – wordt door enkele deelnemers genoemd dat vrouwen in sommige grotere steden whatsappgroepen zijn gestart om in nood hulp in te schakelen van omwonenden. Zulke sociale en technologische interventies dragen, naast fysieke inrichting, bij aan een gevoel van veiligheid. ‘Ook de perceptie telt mee’, benadrukte Bassam. 

Voorzieningen 

Een ander belangrijk aandachtspunt is het soort voorzieningen in de openbare ruimte. Waar voor mannen vaak sportplekken beschikbaar zijn – zoals voetbalvelden of outdoor fitness – voelen vrouwen zich daar lang niet altijd welkom, zeker als de plekken al worden gedomineerd door groepen mannen. 

Een vrouwelijke deelnemer zegt daarover: ‘Als ik twintig mannen zie basketballen, wijk ik uit naar een andere plek. Ook al staat er dan een openbaar toilet of een stadsbankje.’ Onderzoeken laten, zo vertelt Bassam, regelmatig zien dat vrouwen soms liever plekken bezoeken waar ze niet opvallen, bijvoorbeeld om te dansen of te ontmoeten zonder direct in de kijker te staan. 

Dit vraagt om openbare ruimtes die minder sterk zijn toegespitst op specifieke genders en waar bezoekers van meerdere genders gemengd samenkomen. 

Zonder interventies blijven door mannen gedomineerde openbare ruimtes hangen in een vicieuze cirkel. ‘Als vrouwen plekken mijden waar veel mannen zijn, blijven juist die mannen daar over’, aldus Bassam. 

De 5 D’s van Bystander Intervention

-Delay – Kom later in actie, bijvoorbeeld door na te vragen of het slachtoffer oké is. 
-Delegate – Schakel hulp in van iemand anders, zoals beveiliging of personeel. 
-Distract – Leid af met een vraag of opmerking om de situatie te doorbreken. 
-Direct – Spreek de dader direct aan (alleen als het veilig is). 
Document – Leg de situatie vast, bijvoorbeeld met video (alleen als het slachtoffer dat wil)

Stadsgevoel is niet alleen fysiek, maar ook sociaal. Daarnaast helpt het als omstanders leren reageren bij ongewenst gedrag. In de wandeling met Bassam komen onder andere de ‘5 D’s’ van bystander intervention aan bod: delay, delegate, distract, disturb, document. Ontwerp en inrichting kunnen zulke interventies ondersteunen, bijvoorbeeld door overzicht te bieden of veilige vluchtroutes te creëren. 

Structurele keuzes nodig 

Toegankelijk ontwerp betekent ook dat uitsluitende elementen worden vermeden. Een voorbeeld is hostile architecture, zoals scheve bankjes of hekken, die bedoeld zijn om overlast te voorkomen, maar ook kwetsbare groepen buitensluiten. Steden als Amsterdam en Utrecht zijn al actief bezig om deze vijandige ingrepen uit te faseren. 

De les voor gemeenten is volgens Bassam dan ook dat onveilige plekken onveilig blijven als er geen extra geld beschikbaar komt om deze beter te beheren en onderhouden. 

Onderhoud, verlichting en placemaking vragen om structurele keuzes van overheden. ‘Wat als een gemeente zegt: we kunnen of willen niet beter onderhouden? Dan is dat altijd een politieke beslissing’, stelde Bassam. 

Niet alle gemeenten zitten echter comfortabel in hun financiën. Het ravijnjaar dwingt hen, door verantwoordelijkheden in het sociale domein, om duidelijke keuzes te maken in de openbare ruimte. Dit zorgt soms voor versobering tot het minimale niveau dat een openbare ruimte aankan. 

Niet alleen voor vrouwen 

Zichtlijnen, verlichting, actieve programmering. Het is volgens Bassam en Buisman helder welke concrete fysieke ingrepen ontwerpers en stedenbouwers tot hun beschikking hebben om inclusiever en toegankelijker te ontwerpen. Maar om fundamenteel tot andere ontwerpen te komen die ook vrouwen en kinderen beter van dienst zijn, is een systematische aanpak nodig. 

Bassam verwijst naar steden als Wenen, waar met systematische aanpak via het Frauenbüro actief aan inclusief ontwerp wordt gewerkt. Genderinclusief ontwerp is geïntegreerd in beleid, planning, controles, normen en instrumenten.

In Nederland mist die systematiek nog, wat ertoe leidt dat mannelijke ontwerpers nog altijd onvoldoende naar vrouwen luisteren in hun ontwerp voor buitenruimtes. In veel grote steden wordt vanuit de politiek wel al meer aandacht besteed aan het betrekken van vrouwen in individuele projecten. 

Om keuzes voor de inrichting te onderbouwen is gedetailleerde en gendergeaggregeerde data (data uitgesplitst op genders) nodig. Daarmee wordt data bedoeld over de specifieke ervaringen in en het gebruik van de openbare ruimte van mannen, vrouwen en andere genders.  

Bassam: ‘Alleen zo wordt zichtbaar voor wie een plek wel of niet werkt. Feministisch ontwerp is gericht op toegankelijkheid, niet op gentrificatie’.