Stadslandbouw en grootschalige recreatieruimte zijn steeds minder makkelijk in te passen in stedelijk gebied. Terwijl dit soort ruimtes wel enorm belangrijk zijn voor stedelijke bewoners zonder buitenruimte. ‘Tuinen van West’ aan de westflank van Amsterdam, fungeert als katalysator voor het drukke stedelijke leven. Hoe zorg je ervoor dat stedelingen zo’n groene locatie daadwerkelijk vinden en gebruiken?
| Een uitgebreide versie van dit artikel hieronder stond eerder in vakblad Stedelijk Interieur. Interesse in een proefabonnement op Stedelijk Interieur? Dat kan! |
De concurrentie om ruimte in Nederlandse steden wordt steeds groter. Verdichting is nodig om de woningnood aan te pakken, maar knelt steeds vaker met de behoefte aan leefruimte, groen en verkoeling. De vraag rijst dan ook: kunnen we de stad leefbaar houden zonder in te boeten op de woonambitie?
Steeds vaker klinkt het antwoord: kijk niet alleen naar groen in de stad, maar ook naar het groen aan de stad. Een voorbeeld van zo’n gebied is Tuinen van West, een multifunctioneel stadslandbouw- en recreatiegebied aan de westelijke rand van Amsterdam.
Maar hoe zorgen we ervoor dat stedelingen zulke plekken weten te vinden – en dat ze ook daadwerkelijk bijdragen aan gezondheid, ontmoeting, biodiversiteit en klimaatadaptatie?
Van lege polders tot levendige stadsrandgebied
Vandaag de dag vormen de Osdorper Binnenpolder Noord en Zuid, de Osdorper Bovenpolder en de Lutkemeerpolder samen Tuinen van West: een unieke mix van oude en nieuwe landschappen, van romantiek en rafelrandjes, van plukken en feesten, wandelen en kijken, boeren en brouwen.
In de beginjaren nam het stadsdeel Nieuw-West actief de regie. Om het gebied letterlijk op de kaart te zetten, werden bewoners en ondernemers vanaf het begin betrokken. Evenementen als Tour de Boer en de opening van een biologische fruittuin trokken bezoekers, en zorgden voor de eerste groep vaste gebruikers.
‘De voortuin van Amsterdam’
Norinda Fennema is bestuurslid van Ondernemersvereniging Tuinen van West en noemt het gebied ‘de voortuin van Amsterdam’. Maar ze ziet ook dat de potentie nog lang niet volledig benut wordt. ‘Ik merk dat het niet overdreven druk is. Het is niet vanzelfsprekend dat iedereen het gebied kent of weet te vinden.’
Dat heeft deels te maken met bereikbaarheid. Tuinen van West ligt aan de rand van Amsterdam-West, tegen de Haarlemmerweg aan. Er is een snelfietspad, je kunt er parkeren en fietsen huren, maar toch voelt het voor veel Amsterdammers ‘ver weg’.
Amsterdams plan
Ook stedenbouwkundige Anouk Distelbrink, verbonden aan de BNSP en zelf woonachtig in Amsterdam-West, ziet hoe belangrijk deze gebieden zijn. ‘Ik merk aan bewoners dat ze snakken naar meer buitenruimte, meer dan een speelplekje in de wijk.’
Distelbrink bevestigt de eerdere constatering van Fennema. Nieuw-West, met veel laagbouw en ruimte in je voortuin, gaat bij uitstek sterk verdichten en de hoogte in. ‘Voor die wijken moet je groen durven organiseren op een andere schaal.’ Volgens haar past Tuinen van West precies in dat plaatje. ‘Het is een moderne invulling van de scheggen-gedachte.
Gelaagde betekenis
Tuinen van West is niet zomaar een stadsrandpark. Het gebied kent een gelaagde opbouw. In Osdorper Binnenpolder Noord is veel te doen: kunst, sport, cultuur, volkstuinen en oogstfeesten. In Osdorper Binnenpolder Zuid draait het vooral om rust en natuurbeleving. De Osdorper Bovenpolder langs de Osdorperweg huisvest hoveniers, kwekers en boerderijen. In de Lutkemeerpolder domineren de horizonlijnen en oude agrarische structuren.
Die verscheidenheid maakt het gebied aantrekkelijk voor verschillende doelgroepen, van gezinnen en sporters tot rustzoekers, natuurliefhebbers, buurtbewoners en bruiloftsgasten. Fennema noemt een paar trekkers: ‘De Fruittuin van West, met hun tuincafé en boomgaardwinkel. Het Rijk van de Keizer, een locatie voor bruiloften. En het sportpark met het nationale rugbycentrum.’
Het grotere plaatje
Tuinen van West vraagt om permanente aandacht voor beheer, maar ook om partnerschappen. De ondernemersvereniging onderhoudt samenwerkingen met Spaarnwoude en andere groene gebieden in de regio om bezoekers te wijzen op andere groene recreatieruimte in de omgeving.
‘Er staan informatieborden langs het fietspad bij de Haarlemmerweg, maar veel mensen weten nog steeds niet waar ze langs fietsen. Ook hebben ondernemers van ‘MijnStadstuin’ distributiepunten in het stedelijk gebied, om ook daar aanwezig te zijn. Dat werkt.’
Volgens Distelbrink zit hier een systemisch probleem. ‘De stadsrand is een bestuurlijk niemandsland. Waar de stad eindigt, stopt vaak ook de gemeentelijke verantwoordelijkheid. Maar het is nog te stedelijk voor de provincie.’
‘De stadsrand is een bestuurlijk niemandsland. Waar de stad eindigt, stopt vaak ook de gemeentelijke verantwoordelijkheid. Maar het is nog te stedelijk voor de provincie.’
Toch liggen hier volgens haar cruciale opgaven. ‘Als we willen dat stadsranden, met daarin onder andere Tuinen van West, bijdragen aan leefbaarheid, dan moeten we ook investeren in hun ontsluiting, veiligheid, identiteit en eigenaarschap.’
Zij pleit daarom voor een meer structurele aanpak van de stadsrand. ‘De overgang tussen stad en landschap moet niet abrupt zijn. Je zou de routes naar de rand toe al aantrekkelijk moeten maken. Dat kan met groenere straten, veilige fietspaden en duidelijke bewegwijzering. Laat de ervaring van het buitengebied al beginnen op het moment dat je je voordeur uitloopt.’
Daarbij zou een groene stadsrand over de hele breedte de stad moeten raken. ‘Als je de hele stadsrand prikkelt, dan voelen meer mensen zich eigenaar van en uitgenodigd in het buitengebied. Dat vraagt om een brede programmering’, aldus Distelbrink.
Gedeelde verantwoordelijkheid
Fennema benadrukt dat samenwerking met de gemeente cruciaal blijft. ‘Het liefst hadden we die samenwerking nog tien jaar voortgezet. Er zijn nog genoeg collectieve opgaven.’
Bovendien, stelt ze, kunnen gebieden als Tuinen van West een katalysator zijn voor duurzame verstedelijking. ‘We zien rondom dergelijke groene locaties kansen om ecowijken te ontwikkelen. Waarom zou je de nabijheid van zo’n locatie niet benutten om natuurinclusief te bouwen?’
Het vraagt om visie, beheer, samenwerking én zichtbaarheid. Steden mogen hun groene achtertuin koesteren, laten Fennema en Distelbrink zien. Mede omdat het de vaker genoemde strijd tussen verdichting en vergroening ten goede kan komen.